De zon verscheen die dag al heel vroeg aan de horizon en kleurde de hemel roze-rood met oranje vegen. De vogels begonnen te zingen en de beer waste zijn snuit en de brilslang… de brilslang vroeg zich af welke dag het ook alweer was.
Vergeten!
Het knaagdier zei dat het een gewone dag was en de tortelduif vond dat het een heerlijke dag was.
De brilslang vroeg zich daarna af of het zou gaan regenen die dag en of het gras verder zou gaan met groeien.
Iedereen keek elkaar aan.
Hij had een punt.
De herkauwer zei dat het gras volgens hem van plan was flink te groeien, maar toen de brilslang vroeg: ‘Waarom?’ ging de herkauwer verder malen over brandnetels.
‘Een plaag!’ mopperde hij.
De brilslang keek hem met wijd-open ogen aan en vroeg: ‘Kun je dat uitleggen?’
Het werd licht hopeloos en de uil werd erbij gehaald.
De uil sloot zijn ogen nadat hij alle vragen had gehoord alsof hij in zijn hoofd iets zocht. Daarna deed hij ze weer open en de brilslang keek hem vol verwachting aan.
‘Tsja,’ zei de uil, ‘Tsja, het groeien van het gras… bedoel je dat in transcendente zin?’
De brilslang was even van zijn stuk gebracht maar vroeg daarna voor alle zekerheid: ‘Wat is transcendent?’
De uil kleurde en verzonk in gedachten.
Het was hopeloos moeilijk uit te leggen.
Hoe dat zat.