De krekel keek droevig naar de kikker die de hele middag lag te slapen, en hij keek naar de hemel waar de withete zon het blauw verglaasde, en hij zuchtte. De hommel draaide zoemend om de boterbloemen heen, verzonken in gedachten en af en toe bedachtzaam proevend. De lucht trilde.
‘Ik moet weg,’ zei de krekel plotseling, en de kikker opende een oog.
‘Ik moet!’
De kikker keek om zich heen en zei: ‘Zullen we eerst wat muggen eten?’
Ze plukten zwijgend een wolk muggen uit de lucht waarna de krekel zei: ‘Dan ga ik nu.’
‘Waarom,’ zei de kikker, ‘is daar verderop dan iets?’
‘Ja.’
‘Weet je ook al wat?’
‘Ja.’
‘Dan zou ik niet gaan,’ zei de kikker.
De neushoorn kwam langs om wat bos goed plat te trappen, hoorde van de plannen van de krekel en vroeg: ‘Is daar verderop alles al platgetrapt? Goed plat?’
Hij was te dom om wat dan ook aan uit te leggen.
De kruisspin daalde af tot naast de krekel en vroeg of er muggen over waren van het eten.
‘Nee,’ zei de krekel, ’maar morgen wel, dan ben ik weg. Eet ze.’
De krekel had er echt genoeg van, er was een wereld te ontdekken!
En de krekel ademde en nam een sprong en nog een sprong en nog een, en belandde in de modder.
Ik ben er bijna, dacht hij, bijna vrij! Maar toen hij nogmaals wilde springen ging dat niet, en langzaam zakte hij weg. Eindelijk helemaal vrij van iedereen, was het laatste wat hij dacht.
En dat was ook zo.