geschriften

Om niets

De eekhoorn lag op zijn rug in het gras en keek naar de wolken die overdreven. De neushoorn lag ernaast met half gesloten ogen te kauwen op een grasspriet, zijn voorpoten onder zijn hoofd gekruist.
‘Zeg Neus,’ zei de eekhoorn, ‘ik zie een wolk die op een schaap lijkt, en een dwerg met pijp, en een olifant zonder slurf.’
De neushoorn staarde lang naar de hemel en zei tenslotte: “Ik zie wolk.’
De eekhoorn was verbaasd: ‘Maar zie je dan die walvis niet op zijn kop.’
‘Nee.’
‘En die wolf? Zie je die ook niet?’
‘Ook niet.’
En hoe de neushoorn ook zijn best deed, hij zag alleen maar wolk en hij kreeg een rood hoofd van schaamte. Na een lange stilte waarin nieuwe wolken overdreven, probeerde hij tenslotte: ‘maar zie ik nou een molen?’
Het was een gok, en de eekhoorn zei: ‘Een molen heb ik nog nooit gezien. Wat knap, Neus!’
Ze pakten daarop allebei een grote stengel, kauwden liggend op hun rug en bleven kijken naar de hemel, waarbij de eekhoorn zuchtte: ‘Dat is knap. Een molen.’
De neushoorn kleurde, hij zou het liefst altijd bij de eekhoorn willen zijn. En hij knikte en zei: ‘En nog een giraffe, en een woestijnrat en een aardbei met slagroom en een reuzenhamster en een…’
Hij had tijdens het praten zijn ogen dicht, en de eekhoorn zocht koortsachtig alle wolken af.
De neushoorn besloot ‘Sorry dat ik alles verklap,’ en genoot van de bewondering van de eekhoorn.
En hij vergat dat het was om niets.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *