geschriften

Miereneter

Op een ochtend toen de zon al flink begon te klimmen stopte de merel met zingen.
Hij zuchtte diep, slikte en was stil.
Niemand die het in de gaten had. De wespen zoemden door, de kikkers kwaakten en de krekels begonnen met tjirpen toen het warmer werd. De bunzing probeerde een nieuw luchtje uit.
Alleen de miereneter vroeg zich af waarom de merel stil was en vroeg: ‘Waarom zing je niet?’
‘Omdat het zinloos is. Alles wat ik heb gezongen is weg!’
‘Ik vond het mooi,’ zei de miereneter.
De merel zei: ‘Maar jij vindt kwaken ook mooi, en knisperen en ratelen. Ik ben sopraan met boventonen. Maar alles wat ik zong is weg, zoek.’
De miereneter dacht even na en zei: ‘Kom mee,’ en hij liep voor de merel uit. Na een dag kwamen ze aan bij de vallei, de miereneter stopte zei: ‘Zing maar.’
‘Waarom?’
‘Hierom,’ zei de miereneter, en hij richtte zijn neus omhoog en riep: ‘Miereneter, miereneter!
Daarna galmde het lang ’N eter, N eter, N eter ….’.
De merel geloofde zijn oren niet en probeerde aarzelend de toonladder van cis en daarna die van es en alles bleef galmen tussen de rotsen.
Met een blos op zijn wangen zong de merel urenlang en luisterde naar zichzelf.
Het was zo mooi dat de mieren uit de verre omtrek in een rij naar de vallei toe liepen, om daar te worden opgepeuzeld door de miereneter, die er speciaal voor was gaan zitten.
Wie sprak er nog over zinloos.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *