De mier zat die dag op zijn praatstoel en de krekel luisterde aandachtig.
‘Omdat ik praat besta ik,’ verkondigde de mier, ‘zo is dat!’
De krekel had het gevoel dat de mier het ergens had gelezen maar knikte bewonderend, voor de zekerheid. De pad, de brilslang en de papegaai kwamen er bij staan.
‘Maar praten is niet makkelijk,’ zei de mier, ‘je moet de woorden goed uit elkaar houden. En je moet ze stapelen tot een zin.’
‘Ja, tot een zin!’ zei de papegaai, ‘tot een zin.’
De mier keek hem verstoord aan en ging verder: ‘Een zinvolle zin, dat wordt vaak vergeten.’
De papegaai mompelde ‘zinvol’ maar durfde het niet hardop te zeggen.
‘Iedereen praat anders,’ zei de mier, ‘bij sommige dieren bubbelen de woorden op als moerasgas.’
De pad hield wijselijk z’n mond, hij zat in de gemeenteraad en moest nog worden herkozen.
‘Andere dieren denken zo diep dat er geen woorden voor zijn.’
De brilslang kleurde, hij zat net te denken of veldmuizen met basiskennis van transcendentale metafysica lekkerder zouden zijn.
De mier begon op dreef te komen: ‘En sommige dieren worden door woorden bezeten. Zwervende woorden vinden elkaar in dat soort hersentjes, duikelen over elkaar en zoeken steeds iets nieuws om te betekenen. Die hersens hebben dus niets in te brengen, snap je. De woorden zelf veroveren de betekenisleegte voor ons, ze….’
De mier keek de kring rond maar iedereen was de weg volledig kwijt.
Terwijl verderop bij de vijver het schrijvertje in alle rust bezig was om grote letters te schrijven op een rimpelloos vijveroppervlak. Hij schreef maar wat, dacht het schrijvertje, wie las dat nou. Maar die glanzende letters wisten beter, en op wolkeloze dagen kon je hen vanuit de hemel zien, en dan las Gabriel het verhaal van de vijver met aandacht.
Dan waren ze daarboven weer helemaal bij.