‘Vandaag introduceer ik het principe Hoop,’ schreef de uil, en iedereen las het.
Het was dagenlang stil, en de uil schreef: ‘Is dat iets?’
‘Geen bezwaar,’ antwoordde de sprinkhaan, ‘maar kan er nog wat bij?’
De uil dacht lang na en schreef: ‘God.’
‘Als begrip?’ vroeg de krekel en hij keek diepzinnig.
‘Nee, als concept.’ zei de uil, en de krekel stelde geen vragen meer.
Iedereen was blij met het principe Hoop.
Om over na te denken op je rug in de zon.
God was niet echt nodig.
Totdat de uil op een dag schreef: ‘Alles is eindig.’
Toen ze dat lazen vonden ze het concept God mooi gevonden. Naast die eindigheid.
En iedereen wilde een feest om alles te vieren. Het werd een avond om nooit te vergeten.
De nachtegaal zong droevig, er was notenwijn, en de hemel was blauwzwart met slierten goud.
De beer ging dansen met de krekel, zacht wiegend, wang aan wang, verliefd en toch bedroefd.
De volgende dag schreef de uil: ‘God is dood.’
En hij voegde eraan toe: ‘Eerlijk is eerlijk. Sorry.’
Iedereen voelde zich eindig, zonder God, naast het principe Hoop.
De krekel verdronk toen plotseling en de beer was ontroostbaar.
De eendagsvlinder zat op zijn neus.
En wiekte even, weerloos en stil.
Om de lucht te bewegen.
Meer niet.