geschriften

Eeuwig

De koolmees lag stil langs de rand van het karrepad en de egel vond hem het eerst.
Niets bewoog aan de mees en zijn ogen staarden naar de hemel. De andere dieren kwamen er omheen staan.
‘Ze is stil he,’ zei de egel, en de anderen knikten, ‘ze durft blijkbaar niets.’
De dieren keken met bange ogen naar de koolmees om iets dat ze niet wisten.
‘Zullen we roepen?’ zei de kikker, maar niemand wilde, en een tijdje later zei de bonte specht: ‘Die slaapt héél diep.’
Ze knikten allemaal opgelucht na het woord slapen, maar de marter vroeg: ‘Moet iedereen altijd wakker worden?’
‘Hangt er van af,’ zei de bosuil, die zelf lang sliep in de winter, ‘Er moet een reden zijn.’
‘Komt er wel eens iets tussen?’ vroeg de marter, die vermoedde dat er iets tussen was gekomen bij de mees, waarop de vos antwoordde: ‘Je nek breken.’
Ze schrokken van die woorden en keken naar de nek van de koolmees en naarmate ze langer keken ontstond er afstand. Alsof de koolmees meer en meer een ding werd.
‘’Hoe lang blijf je slapen met een gebroken nek?’ wilde de marter weten.
‘Eeuwig,’ zie de vos, en hij keek weg. Hij wist het meeste na de uil.
‘Dan ligt ze eeuwig met haar pootje omhoog,’ zei de egel, ‘Omgevallen.’
‘Kut hard omgevallen.’ zei de marter.
‘Heel hard,’ corrigeerde de egel, die voorzichtig aan eeuwig rook.
‘Zal ik een kwaak maken?’ vroeg de kikker, ‘of houdt eeuwig niet van een kwaak.’
Niemand gaf een antwoord en de kikker aarzelde, keek de groep rond maar ging niet kwaken. Ze voelden dat het niet paste bij eeuwig. Bij eeuwig moest je stil zijn. Hoewel ze niet wisten waarom.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *