De zanglijster zat een vette worm te eten toen de kraai met veel kabaal aan kwam vliegen.
‘Pas op, zanglijster,’ zei de kraai, ’die worm is slecht voor je stem. Je gaat vermolmd klinken.’
De kraai pikte de worm uit de snavel van de zanglijster, en slikte hem door.
‘Net op tijd,’ zei hij ‘Wat een vette.’
De kraai bleef naast de zanglijster zitten en had af en toe een oprisping.
‘Wanneer jij weer een worm met risico ziet, dan moet je mij erbij halen,’ zei hij na een tijdje.
Het bleef daarna stil in het bos, de zon straalde en deed de lucht trillen. Iedereen had de schaduw opgezocht.
‘Nog een idee voor je stem,’ zei de kraai, ‘Je zou zangles moeten nemen!’
Hij keek in zijn agenda en vervolgde: ‘Het is druk, maar ik heb nog een gaatje!’
De volgende dag begonnen ze met de eerste les, waarbij de zanglijster alle toonladders op en neer zong totdat de kraai haar onderbrak: ‘Dit wordt een hele klus. Maar je boft dat ik geduld heb.’
De dag daarop at de kraai eerst de meegebrachte portie maden van de zanglijster op en zei: ‘Ik schat nu al in dat je er met één les niet bent.’
Na een week kwam de kraai wat onzeker aanvliegen met opgepoetste veren, twee gouden ringen om zijn poot en drie garnalen cocktails achter de kiezen.
‘Het is tijd om jou iets voor te zingen,’ zei hij ‘Een doorleefd stuk, over een kraai die in de goot ligt. Dat krast door merg en been.’
Toen de kraai was uitgezongen omdat hij de tekst was kwijtgeraakt, had de zanglijster tranen in haar ogen van ontroering, zo mooi vond ze het. En ze wilde net zo zingen als de kraai, met doorleefde stukken uit de goot, na zware garnalen cocktails.
Maar de kraai reageerde nuchter: “Waarschijnlijk te hoog gegrepen, liefje!’
Zo reëel was hij wel.