‘Ik heb er goed de pest in,’ zei de kwal tegen de aalscholver, nadat hij op het strand was aangespoeld.
‘Nou moet ik zes uur wachten op de volgende vloed.’
‘Lette je niet op?’ vroeg de aalscholver, en hij slokte een visje naar binnen.
De kwal kleurde, want hij was inderdaad door de warme golfstroom in slaap gesukkeld.
‘Ik haaaat water! Diepgrondig!’
Enkele uren later lag hij behoorlijk uitgedroogd te puffen in de zon.
‘Ik haaaat zon,’ klonk het van diep van binnen.
En toen zag hij ineens een roze kwal die naast hem lag te kijken. Ze was bijna helemaal doorzichtig, glom in het zonlicht en keek hem nieuwsgierig aan, zonder met haar ogen te knipperen.
Ze vertelde dat ze hem via de warme golfstroom was gevolgd en kroop iets naar hem toe. Ze rook naar zee en zuchtte. Hij vertelde dat hij naar de ijszee wilde zwerven en zij knikte. Ze luisterden samen naar de adem van de zee en de branding in de verte.
‘Ik heb geen spijt,’ zei ze, en raakte hem voorzichtig aan. Hij sloot zijn ogen en rilde.
De vloed kwam alweer op en het water was er bijna en ze hielden elkaar stevig vast. Toen kwam er een jongetje aangerend die bovenop haar sprong. Er klonk een zucht, haar ogen verstilden, met zijn spiegelbeeld daar in.
Een golf rolde over hen heen en schuimde.